Wat de notaris u niet vertelt

Bijgewerkt op: 14 okt
Een erfbelastingberekening bij een testament lijkt zekerheid te bieden, maar is vooral een momentopname. Waardestijgingen, veranderende vrijstellingen en nieuwe fiscale regels kunnen de uiteindelijke belastingdruk aanzienlijk verhogen.
Door Dhr. mr. N.E.D. Buijze
Bij het opstellen van een testament krijgen veel mensen van de notaris een berekening van de erfbelasting. Die berekening lijkt houvast te bieden, maar daarin schuilt juist het probleem: de cijfers zijn niet meer dan een momentopname.
Wie vandaag een testament laat maken, wil vooral weten waar de achterblijvende partner of de kinderen later financieel aan toe zijn. Toch wordt in de praktijk altijd gerekend met waarden, vrijstellingen en fiscale regels zoals die nĆŗ gelden. Daarmee ontstaat een berekening die formeel juist kan zijn, maar waarvan de praktische waarde beperkt is zodra de toekomst anders uitpakt.
Een momentopname met grote gevolgen
Bij een standaardberekening kijkt de notaris naar de actuele waarde van bezittingen: de woning, de auto, beleggingen, spaargeld en andere vermogensbestanddelen. Dat is op zichzelf de juiste werkwijze. Maar het zegt weinig over de situatie op het moment dat iemand daadwerkelijk overlijdt.
Een woning kan in waarde stijgen, spaargeld kan dalen door grote uitgaven en fiscale vrijstellingen kunnen wijzigen. Wie alleen rekent met de stand van vandaag, mist daardoor het bredere financiƫle plaatje.
āDe belastingdruk kan meer dan 60 procent hoger uitvallen.ā
Rekenvoorbeeld: Anna en Adrie
Neem Anna van 64 en Adrie van 68. Zij zijn getrouwd, hebben één zoon, een woning met een waarde van ⬠580.000 en ⬠20.000 spaargeld. Wanneer Adrie overlijdt, bedraagt de totale gemeenschap ⬠600.000. De helft daarvan, ⬠300.000, vormt de nalatenschap.
Die nalatenschap wordt verdeeld tussen Anna en haar zoon. Beiden erven op papier ⬠150.000. Anna valt ruim binnen haar partnervrijstelling en betaalt geen erfbelasting. De zoon heeft echter slechts een beperkte vrijstelling. Over het belaste deel zou, uitgaande van de genoemde cijfers, ongeveer ⬠12.500 erfbelasting verschuldigd zijn. Dat bedrag moet de langstlevende ouder in de praktijk voorschieten.
Maar als de woningwaarde in tien jaar tijd met 2 procent per jaar stijgt, groeit de WOZ-waarde tot ongeveer ⬠710.000. Samen met het spaargeld komt het vermogen dan op circa ⬠730.000. De erfenis bedraagt in dat scenario ⬠365.000 en het erfdeel van de zoon ⬠182.500. De te betalen erfbelasting stijgt dan naar ongeveer ⬠15.700: ruim een kwart meer dan in de oorspronkelijke berekening.
WOZ-waarde of werkelijke verkoopwaarde?
Een tweede discussiepunt is de waarde van de woning. Voor de erfbelasting wordt doorgaans uitgegaan van de WOZ-waarde. Dat is juridisch verankerd en in lijn met bestaande rechtspraak. Tegelijkertijd klinkt steeds vaker de vraag of de waarde in het economisch verkeer ā de vrije verkoopwaarde ā een eerlijker uitgangspunt zou zijn.
Die vrije verkoopwaarde ligt in de praktijk regelmatig 10 tot 20 procent hoger dan de WOZ-waarde. Als in het voorbeeld van Anna en Adrie niet met ⬠580.000, maar met een 15 procent hogere woningwaarde wordt gerekend, stijgt de waarde naar ongeveer ⬠668.000. Het erfdeel van de zoon komt dan hoger uit en de erfbelasting loopt op tot circa ⬠14.200.
Wanneer daar vervolgens ook nog jaarlijkse waardestijgingen bovenop komen, kan het verschil fors oplopen. In het geschetste scenario kan de belastingdruk meer dan 60 procent hoger uitvallen dan in de oorspronkelijke berekening.
Vrijstellingen zijn geen vast gegeven
Ook de fiscale vrijstellingen waarop wordt gerekend, zijn niet in beton gegoten. De partnervrijstelling is momenteel hoog, waardoor daar in veel gevallen weinig directe pijn zit. Voor kinderen ligt dat anders. Hun vrijstelling is beperkt en kan door politiek beleid veranderen.
Als de kindervrijstelling bijvoorbeeld zou worden verlaagd naar ongeveer ⬠10.000, zoals in politieke voorstellen wel is genoemd, verandert de uitkomst van de berekening onmiddellijk. In het voorbeeld zou het belaste bedrag stijgen en zou de zoon niet ⬠12.500, maar ongeveer ⬠14.000 erfbelasting moeten betalen.
Het omstreden forfait
Een belangrijk technisch punt is artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956. Daarin staat een tabel waarmee de waarde van erfdelen fiscaal wordt afgewaardeerd. Die berekening hangt samen met sterftetabellen en een vaste rekenrente van 6 procent.
In het voorbeeld leidt dat tot een aanzienlijke verlaging van het belaste erfdeel van de zoon. Bij een factor 10 en een rekenrente van 6 procent wordt 60 procent buiten beschouwing gelaten. Het belaste erfdeel daalt daardoor sterk en de erfbelasting komt uit op ongeveer ⬠3.500 in plaats van ⬠12.500.
Maar juist deze rekenrente staat ter discussie. Wanneer de rente vanaf 2028 daalt naar zoān 2,8 procent, daalt de fiscale afwaardering mee. Dan komt de verschuldigde belasting in hetzelfde voorbeeld uit op ongeveer ⬠8.300. Een jaar later, wanneer Anna in een andere leeftijdsfactor valt, kan dit verder oplopen tot circa ⬠9.140.
De kern: zekerheid bestaat niet
De conclusie is dat een erfbelastingberekening bij het opstellen van een testament nuttig kan zijn, maar slechts onder duidelijke voorwaarden. Zij geeft inzicht in de situatie van vandaag, niet noodzakelijk in de werkelijkheid van over tien of twintig jaar.
Wie een testament opstelt, doet er daarom goed aan niet alleen naar de huidige vermogenspositie te kijken, maar ook scenarioās door te rekenen: stijgende woningwaarden, veranderende vrijstellingen, andere fiscale regels en aanpassingen in de rekenrente. Alleen dan ontstaat een realistischer beeld van wat de langstlevende partner en de kinderen later kunnen verwachten.
De boodschap is helder: een testament is bedoeld voor de toekomst. Een berekening die uitsluitend is gebaseerd op het heden, kan geen basis vormen voor een testament.

Opmerkingen