Het verblijvensbeding nader bekeken

Een veelgebruikte clausule in samenlevingsovereenkomsten kan grote civielrechtelijke en fiscale gevolgen hebben. Wie niet goed afstemt met het testament, loopt het risico dat de nalatenschap heel anders uitpakt dan bedoeld.
Door Dhr. mr. N.E.D. Buijze
Ā
Wat regelt een samenlevingsovereenkomst?
In de meeste samenlevingsovereenkomsten staat een verblijvensbeding. Om te begrijpen wat zoān beding doet, is eerst duidelijkheid nodig over de samenlevingsovereenkomst zelf. Dat is een bij notariĆ«le akte vastgelegde verzameling afspraken tussen partners, zowel op fiscaal als op civielrechtelijk terrein. De fiscale gevolgen kunnen ook tegenover derden werken; civielrechtelijk is dat niet zonder meer het geval.
Door een samenlevingsovereenkomst kunnen samenwoners fiscaal als partners worden aangemerkt. Daarmee komen onder meer het fiscaal partnerschap voor de inkomstenbelasting en de partnervrijstelling voor de erfbelasting binnen bereik. Wie ten minste zes maanden op hetzelfde adres staat ingeschreven én een notariële samenlevingsovereenkomst heeft, geldt voor de Successiewet als partner. In het aangeleverde rekenvoorbeeld stijgt de vrijstelling daardoor van ⬠2.658 naar ⬠804.698. Ook het tarief verandert: zonder partnerstatus wordt 30 tot 40 procent erfbelasting genoemd, tegenover 10 tot 20 procent voor partners.
Een samenlevingsovereenkomst is daarvoor overigens niet altijd noodzakelijk. Ook samenwonen op hetzelfde adres, het hebben van gezamenlijke kinderen of het delen van het nabestaandenpensioen kan ā onder de daarvoor geldende voorwaarden ā tot fiscaal partnerschap voor de erfbelasting leiden.
Geen automatisch erfrecht voor samenwoners
Een samenlevingsovereenkomst creëert geen gemeenschappelijk vermogen. Wat van A is, blijft van A; wat van B is, blijft van B. Dat verandert wanneer partners bepaalde goederen gezamenlijk verwerven. Stel dat A en B samen een woning van ⬠600.000 kopen en een gezamenlijke bankrekening met ⬠100.000 hebben. Daarnaast bezit ieder ⬠10.000 privévermogen. Het stel heeft twee kinderen.
Op grond van alleen de samenlevingsovereenkomst zijn de partners geen erfgenaam van elkaar. Zonder aanvullende regeling vererft het aandeel van de overledene daarom aan de kinderen. De ruime partnervrijstelling biedt dan geen uitkomst. In het voorbeeld bestaat de nalatenschap uit ⬠10.000 privévermogen, ⬠50.000 als helft van de gezamenlijke rekening en ⬠300.000 als helft van de woning: in totaal ⬠360.000. Verdeeld over twee kinderen is dat ⬠180.000 per kind. Na aftrek van ⬠25.000 resteert volgens het aangeleverde rekenvoorbeeld ⬠155.000 belast tegen 10 procent: ⬠15.500 per kind, samen ⬠31.000.
Daar komt een praktisch probleem bij: de kinderen worden eigenaar van de helft van de woning. De langstlevende partner kan daardoor niet vanzelfsprekend in het huis blijven wonen. Betalen de kinderen de erfbelasting uit eigen middelen en laten zij hun aandeel feitelijk bij de langstlevende, dan kan dat volgens de beschreven redenering als een schenking worden gezien, met mogelijk 30 tot 40 procent schenkbelasting. Het behoud van de woning komt zo onder druk te staan.
Een testament lijkt de oplossing
Voor samenwoners wordt daarom vaak een testament opgesteld waarin de partner en de twee kinderen ieder erfgenaam zijn. De langstlevende krijgt alle goederen gedurende zijn of haar leven onder zich en mag daarop interen; de kinderen ontvangen een geldvordering, als het ware een tegoedbon. Goederenrechtelijk lijkt dat aantrekkelijk: de partner kan in de woning blijven en de kinderen behouden hun aanspraak.
Maar schijn bedriegt. In veel samenlevingsovereenkomsten staat namelijk een verblijvensbeding dat vóór de testamentaire verdeling kan ingrijpen.
āIngeval ƩƩn der partijen overlijdt, verblijven alle gemeenschappelijke goederen, met uitzondering van die welke door erfopvolging of schenking zijn verkregen, aan de langstlevende van hen zonder dat deze deswege tot enige vergoeding is gehouden, doch wel onder de verplichting voor die partij om de op de gemeenschappelijke goederen drukkende schuld(en) voor zijn/haar rekening te nemen en als een eigen schuld te voldoen. Voor het geval van verblijving na overlijden, verlenen partijen elkaar over en weer volmacht ter uitvoering van de verplichting tot levering van de verbleven gemeenschappelijke bezittingen. Deze volmacht is onherroepelijk en eindigt niet bij overlijden van de volmachtgever.ā
Wat betekent het verblijvensbeding?
De clausule bepaalt dat bij het overlijden van de eerste partner alle gezamenlijke goederen zonder vergoeding aan de langstlevende toekomen. Het gaat uitsluitend om de gemeenschappelijke goederen. De regeling staat bovendien niet in het testament, maar in de samenlevingsovereenkomst.
In het voorbeeld gaan de gezamenlijke goederen met een waarde van ⬠350.000 naar B. Alleen het privĆ©vermogen van A ā ⬠10.000 ā valt nog in de nalatenschap. Dat bedrag wordt volgens het testament gelijk verdeeld over B en de twee kinderen: ieder ontvangt ⬠3.333. B krijgt als erfgenaam dus evenveel als ieder kind, maar ontvangt daarnaast via het verblijvensbeding de gezamenlijke goederen. Wanneer B later overlijdt, krijgen de kinderen daardoor vrijwel het gehele vermogen van ƩƩn ouder in ƩƩn keer toegerekend. De beoogde spreiding over twee nalatenschappen gaat verloren.
Waarom gaat het beding vóór?
Een verblijvensbeding in een samenlevingsovereenkomst geldt als een quasi-legaat en gaat daardoor vóór op de aanspraken van de erfgenamen. De Hoge Raad omschrijft quasi-legaten als āschenkingen of giften die de strekking hebben dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever worden uitgevoerd, en niet reeds tijdens het leven van de schenker of gever zijn uitgevoerd.ā
Dat resultaat kan zowel fiscaal als goederenrechtelijk afwijken van wat de overledene voor ogen had. Toch wordt de regeling op deze manier uitgevoerd zolang de samenlevingsovereenkomst en het testament niet goed op elkaar aansluiten.
De oplossing ligt in de samenlevingsovereenkomst
Een testament kan het probleem niet zelfstandig opzijzetten, omdat het verblijvensbeding voortvloeit uit de samenlevingsovereenkomst. De oplossing moet daarom in het beding zelf worden opgenomen. Een mogelijke formulering luidt:
āVoor het geval van verblijving na overlijden, heeft het in dit artikel genoemde verblijvingsbeding geen gevolg indien de eerststervende partij in zijn/haar uiterste wilsbeschikking een regeling heeft opgenomen waardoor ten minste het gemeenschappelijk vermogen aan de laatstlevende partij toekomt, al dan niet onder een last en/of voorwaarde, in welk geval de betreffende regeling in de uiterste wilsbeschikking voor onderhavig verblijvingsbeding gaat, tenzij bij de regeling in de betreffende uiterste wilsbeschikking uitdrukkelijk anders is bepaald.ā
In gewone taal: de gezamenlijke goederen gaan bij het eerste overlijden in beginsel kosteloos naar de langstlevende, tenzij de overledene een testament heeft waarin een regeling voor het gemeenschappelijke vermogen is getroffen en zowel de partner als de kinderen als erfgenamen zijn betrokken. In dat geval krijgt de testamentaire regeling voorrang.
Zo laten beide partners bij hun overlijden aan de kinderen een evenwichtiger nalatenschap achter, terwijl de langstlevende beschermd blijft. De kern is niet dat een verblijvensbeding onwenselijk is, maar dat samenlevingsovereenkomst en testament als ƩƩn samenhangend geheel moeten worden ontworpen.
āEen verblijvensbeding in de samenlevingsovereenkomst is een quasi-legaat en gaat dus vóór op de erfgenamen.ā
Ā
Ā

Opmerkingen